Laatst kwam ik tot een schokkende ontdekking. Voor het eerst sinds, laten we zeggen mijn veertiende, is er niemand. Geen man, geen jongen die door mijn hoofd spookt als ik ’s nachts niet kan slapen. Niemand met wie ik me bezighoud, van wie ik knikkende knieën of blozende wangen krijg. Niemand over wie ik schrijf, of aan wie ik schrijf. Geen gevoelens, geen hoop, geen wachten op berichtjes. Geen strategieën bedenken om tijd met hem door te brengen, geen spanning, sensatie, gedoe. Geen afwijzing of onbeantwoorde liefde.

Wat een bizar besef. Volgens mij is het zelfs al een paar maanden zo en heb ik het niet eens gemerkt. Wat ik wel doorhad was dat er minder dramatische schrijfsels uit me kwamen. Want laten we wel wezen, verliefdheid/verslingerdheid/een crush/een grote liefde zorgt nou eenmaal voor inspiratie. De mooiste dingen komen bij mij voort uit liefde en verdriet.

Maar als dit echt voor het eerst is dat er níemand is, betekent dat ook dat er al die jaren constant iemand is geweest. Altijd een “object d’amour”. En als ik eens ga terugkijken, dan was dat inderdaad zo. Op de momenten dat ik geen relatie had was er altijd wel een kleine crush of een grote onbeantwoorde liefde. Ik kwam over de vorige heen door voor een nieuwe te vallen. Altijd was er iemand om mijn aandacht op te richten. Altijd iemand om goed, leuk en mooi genoeg voor te proberen te zijn, of dat nou bewust was of niet. Altijd bezig met de ander, altijd iemand buiten mezelf.

En nu, voor het eerst, zonder er bewust moeite voor te doen, is er niemand anders. Voor het eerst ben ik vrij van hoop en twijfel, vrij van de leukste proberen te zijn. Voor het eerst ben ik er echt en helemaal voor mij en ben ik vrij om opnieuw verliefd te worden, maar nu op mezelf 🙂