Ik weet wat het was. Ik weet waar ik bang voor was. Ik was bang dat jij bang was. Bang dat jij bang was dat ik iets van je wilde. Meer dan jij me zou willen geven. Dat je zou vluchten als ik te dichtbij kwam of te echte woorden zei. Dat je zou schrikken als ik je te veel opzocht of te veel berichtjes stuurde. Dat je weg zou zijn zodra ik zei hoe bijzonder ik je vind.

In het verleden heb je me vaak laten zien dat je bang was. Keer op keer gaf je me bewijs. Een keer vluchtte je al weg toen ik alleen maar zei dat ik je een schat vond. Een andere keer was je verdwenen toen ik voorstelde om snel weer af te spreken. Ik besloot dat passiviteit de beste houding zou zijn, dat het dan maar van jouw kant moest komen. En ineens kwam het ook van jouw kant! Je zei dat je me leuk vond, dat je me vaker wilde zien en niet meer alleen als vrienden met elkaar wilde omgaan. Ik ging er voorzichtig in mee, want ik voelde het ook, maar nog voordat er iets kon beginnen was je alweer verdwenen.

Ik werd steeds voorzichtiger en leerde me in te houden. Want ik was bang dat je me weer te veel zou vinden, of te warm. Dat je zou denken dat ik dingen van je verwachtte. Terwijl ik alleen maar wilde geven, want ik stroomde over! Ik was elke keer bang dat het al over zou zijn voor het goed en wel begon. Dat jij een deur dicht zou slaan waarvan ik nog niet eens wist of die voor mij wel open stond.

Daarom zei ik het niet tegen je. Wat je voor me bent, wat je voor me betekent. Ik deed het tegenovergestelde. Ik praatte over mijn hart, en dat er iemand was die daar zo’n grote plek innam. En dat er iemand anders was die er zonder mijn weten nóg een grotere plek innam. Ik vertelde over mijn weg naar het vrijmaken ervan. Alsof ik wilde zeggen: “Wees niet bang, voor mij hoef je niet weg te rennen, ik kom toch niet achter je aan!” Nog voordat ik wist of ik dat überhaupt zou willen.

Ik was bang, maar soms negeerde mijn hart mijn angst. Soms kwam ik los van al die belemmeringen en deed en zei ik gewoon wat ik voelde. En dan bleek vaak dat je helemaal niet bang was. Dat het goed was, gewoon, alles. Die momenten gaven me kracht en hoop, maar de momenten waarop je mijn angst bevestigde wisten al die hoop zo weer van tafel te vegen.

Laatst bevestigde je mijn angst in drievoud. Ik leerde je kennen, het was goed en het was fijn. Dat vond jij ook, want dat zei je. We praatten over verloren liefdes en verdriet, verlangens en betekenissen en zo maakten we elkaar duidelijk dat we niet meer zouden worden dan vrienden. Dat was goed en helemaal oké. Toch was je weer bang. Bang dat ik meer zou willen, meer zou verwachten. Je duwde me weg en dat deed pijn, want ik vroeg helemaal niets van je. Deze keer knalde je de deur recht in m’n gezicht dicht. Althans, zo voelde het, juist omdat ik al zo voorzichtig was geweest. Ik wist niet wat ik ervan moest maken en wat ik ermee kon. Nu weet ik waarom je dit zo deed.

Het was tijd om afscheid te nemen van mijn angst.

Want wat ik deed was niet eerlijk. Niet tegenover jou en niet tegenover mij. Onbewust dacht ik dat jij precies hetzelfde was als hiervoor, dat je niet zou veranderen en altijd bang zou blijven. Ik hoopte wel dat je een keer in onangstige vorm voorbij zou komen, maar daarmee creëerde ik je juist op diezelfde oude manier. Ik gaf je geen nieuwe, eerlijke kans en daarmee hield ik mijn eigen angst in stand.

Dat is nu verleden tijd.

 

Ik weet nog niet wie je bent, wat je denkt en wat je voelt. Ik weet niet wat je angsten zijn, waar je pijn zit en waar je naar verlangt. Al die dingen kan ik ook niet weten, en dat vind ik alleen maar fijn. Ik zal je zien zonder angst of verwachtingen. Dat beloof ik. Want je verdient het met nieuwe ogen bekeken te worden.

Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.